donderdag 23 februari 2017

Horst Wessel: Martelaar van het revolutionaire Nationale Socialisme


“Wie in Berlijn tot de gelederen der SA toetrad, behoorde tot de vogelvrijverklaarden. Zijn weg voerde hem op het nauwe pad tussen enerzijds de politie en anderzijds de (communistische) meute. Maar een weg terug was er voor hem niet: de man diende ófwel stand te houden ófwel te sneuvelen.” – Dr. Goebbels in Kampf um Berlin



De (samen met Hans Maykowski) zonder twijfel meest prominente “Blutzeuge” (martelaar) van de Berlijnse NSDAP werd op 10 januari 1907 in Bielefeld geboren als zoon van een predikant. Na de verhuizing van het kleinburgelijke gezin naar Berlijn, bezocht Horst zelf hier het gymnasium. De weerzin tegen zijn afkomst en milieu dreef hem al vroeg in de politiek, reeds in 1922 trad hij toe tot de Bismarck Orde (Ortsgruppe 21, Kronprinzessin). Bij de Bismarck Orde ging het om een door de latere NS-gouwleider Wilhelm Kube geleide massaorganisatie van de DNVP (Deutschnationale Volkspartei). In het kader van de door de Orde uitgevoerde beveiliging (Saalschutz) van volksnationale bijeenkomsten kwam Horst in het voorjaar van 1924 in contact met de Wiking Bund onder leiding van Kapitein Ehrhardt. Deze Bund fungeerde als opvang organisatie voor de voormalige leden van de marinebrigade Ehrhardt (in belangrijke mate betrokken bij de Kapp-Putsch). Verder knoopte hij in deze periode contacten aan met activisten van de terroristische “Organisation Consul”. De “O.C.” nam o.a. de verantwoordelijkheid op zich voor het terechtstellen van de Novembermisdadigers Rathenau (Reichsaußenminister) en Erzberger (Erfüllungspolitker van de geallieerden).


Horst bleek blijvend onder de indruk van het onvoorwaardelijke activisme van de mannen van Ehrhardt, dat zich weldadig onderscheidde van het reactionaire karakter van de Duits nationalisten. Consequent werd hij, hoewel drager van het zilveren ereteken van de Bismarck Orde, tevens lid van de Wiking Bund, wat hem in juli 1924 een (later geseponeerde) royementsprocedure opleverde. De reden hiervoor was gelegen in het feit dat de gymnasium leerling op een bijeenkomst in NS uniform gekleed was, destijds voor Ehrhardts mannen niet ongewoon. De breuk was evenwel niet meer af te wenden. Op 12 februari 1925 verliet Horst Wessel de Bismarck Orde en zette zich vanaf die tijd volledig voor Wiking in. Ook zijn installatie als student in de rechten op 19 april 1926 veranderde hieraan niets. Slechts een maand later werd de Bund in Pruissen verboden vanwege de verwikkeling van de Berlijnse Landesführer Sonderstern in putschvoorbereidingen. Het gerechtelijke onderzoek in deze moest overigens wegens gebrek aan bewijs later worden geseponeerd. Horst Wessel, thans politiek dakloos en geïrriteerd door Ehrhardts tijdelijke alliantie met de reaktionaire Stahlhelm, zag nu de zich in de opbouwfase bevindende Berlijnse SA als alternatief. Heinz Hauenstein, de bekende voormalige Freikorpsleider en pioneer van de Noordduitse NSDAP verzamelde hier de sociaalrevolutionaire elementen rond zich die in de oppositie stonden tot gouwleider Schmiedlicke en SA-leider Daluege. Ondanks de op dat tijdstip in de Berlijnse gouw heersende anarchistische toestanden verscheen Wessel’s naam in oktober 1926 voor het eerst op een ledenlijst van de SA-Berlijn.


Op 1 november 1926 nam Dr. Goebbels de leiding op zich van de uiteenvallende gouw-Großberlin en maakte meteen een begin met de reorganisatie ervan. In tegenstelling tot de algemeen gangbare mening was Wessel niet meteen overtuigd van de capaciteiten van de nieuwe gouwleider, iets waartoe ook de verwijdering van Hauenstein zal hebben bijgedragen.


Ongeacht al zijn twijfels verwierf hij in december het lidmaatschap van de NSDAP. Het directe en ook voor autoriteiten niet buigende karakter van Horst zal wel tot een direct en stevig gesprek met de Doktor hebben geleid (de dagboekaantekeningen uit deze periode zijn spoorloos verdwenen). Ook de belangstelling van de gouwleider voor de NS-studentenbond is mogelijk tot deze contacten te herleiden. Een indrukwekkende belevenis zal voor Horst de deelname aan de derde Reichsparteitag in Nürnberg (augustus 1927) zijn geweest, waar het tot een heftige controverse kwam rond de studentenbond. In het wintersemester 1927/ 1928 ging de rechtenstudent tijdelijk naar Wenen. Parallel hieraan kreeg hij van de gouwleider de opdracht om hier het politieke werk van de Oostenrijkse Nationaal-Socialisten onder de jeugd te bestuderen. De voorwaarden hiervoor had Wessel zich verworven doordat hij tijdelijk leiding had gegeven aan een eenheid van de Deutsche Arbeitersjugend (de latere Hitlerjugend). Tijdens zijn tijd in Wenen nam hij actief deel aan de gewelddadigheden tegen de jazzopera “Johnny spielt auf”. Veelbetekend is zijn opmerking per brief aan een vriend op 20 februari 1928 dat, in tegenstelling tot gouw-Großberlin, de gouw Wenen voorbeeldig is georganiseerd. Na beëindiging van het studentensemester in Wenen stopte Horst met zijn rechtenstudie en nam de leiding van SA-staatcel Alexanderplatz op zich, welke tot de zeer sociaalrevolutionair ingestelde SA-Sturm 1 (Standarte 4) behoorde. Voorts deed hij van zich spreken als propagandist en redenaar. Op 15 januari 1929 viel hij op een zaalbijeenkomst in Bln-Friedenau de Duitsnationalen frontaal aan. Aansluitend betreurde hij in een persoonlijk gesprek met Dr. Goebbels het gebrek aan activisme in de gelederen van de SA. De gouwleider noteerde vervolgens in zijn dagboek: “ Ik bevind mij in een dilemma. Indien wij in Berlijn activistisch worden, slaan onze mensen alles kort en klein.” Hierna volgden er regelmatig bijeenkomsten, waar Wessel en Dr. Goebbels met name de verhouding van de NSDAP tot de Duitsnationalen, respectievelijk de Stahlhelm, en tot de Nationaal-Socialistische Revolutie bespraken. Ook de Doktor toonde zich not amused, toen Hitler in april 1929 een begin maakte met de toenadering tot burgerlijk rechts en zich zelfs positief met betrekking tot het parlementaire uitsprak. “En uitgerekend nu, waar het erop aankomt om zijn zenuwen in bedwang te behouden. Het is om te vertwijfelen! Wij hebben nog te veel kleinburgers in de partij. De koers van die lui uit München is af en toe onverdraaglijk. Ik ben niet bereid om mee te werken aan een halfslachtig compromis. Ik zal, ook al kost het mij mijn persoonlijke positie, de rechtlijnige weg blijven bewandelen. Soms twijfel ik aan Hitler… in de S.A.-groepen is er al sprake van ernstige verwarring.” Na één van deze besprekingen besloot de gouwleider om over te gaan tot de offensieve strijd tegen de reaktionaire Duits nationalen, aangezien Hitler het verkoos alles desbetreffende vragen niet te beantwoorden. Deze campagne werd door de Reichsleitung in München gesaboteerd, doordat deze zich (mogelijk voorgesteld door uitgerekend Otto Strasser) uitsprak voor deelname aan het volksrefendum tegen het Young-plan. Hierover verklaarde het lid van de linkervleugel en geestverwant van Horst Wessel, Bodo Uhse:” Hitler heeft de jonge legers van bruinhemden gekoppeld aan degenen, die wij dag in dag uit hartstochtelijk hebben aangeklaagd, want zij brengen met hun zucht naar winst schande over de naam van de natie, gekoppeld aan de Ewiggestrigen behept met hun achterlijk stand- en rang gericht denken.” “Op het beslissende ogenblik, toen de strijd buiten het door deze staat opgelegde legale kader gevoerd had dienen te worden, heeft Hitler zijn weg georiënteerd op de vreedzame beschutting van de Weimarrepubliek, heeft hij in gezelschap voor hun business, aan het volk een vraag gericht, die nooit eerlijk gemeend, die een bedrog was. In het uur van de waarheid, toen risicovol handelen noodzakelijk scheen, speelde Hitler op veilig. Hij verbond zich met de reaktie en het ontevreden grootkapitaal.”


Deze weg leidde naar het Harzburger Front, naar de vervolging van de linkervleugel en van ongeorganiseerde, revolutionaire Nationaal-Socialisten. Het culminatiepunt vormde het neerslaan van de zogenaamde “Röhm-Putsch” op 30 juni 1934. Horst Wessel fungeerde sinds de 1e mei 1929 als Truppführer in Bln-Friedrichshain en bouwde hier de SA-Sturm 5 op. Onder zijn mannen bevonden zich talrijke voormalige aktivisten van de KPD en de aan deze gelieerde Rotfrontkämpferbund (RFB), wat ook tot uitdrukking kwam in de vorming van een tot dan toe alleen bij de RFB aanwezige Schalmeinenkapelle (muziekkorps). De student Wessel dichtte aan de hand van een communistische strijdlied het bekende “Die Fahne Hoch!” (“Hitlerfahnen über Barrikaden!”), dat later, op bevel van Röhm van zijn scherpste kantjes ontdaan, tot het tweede nationale volkslied van het Derde Rijk zou worden. Na een weinig opgemerkt debuut in Frankfurt/Oder beleefde “Die Fahne Hoch!” zijn première in Berlijn 6 september 1929. Korte tijd later werd het eveneens in de “Angriff” (door Dr. Goebbels uitgegeven Kampfblatt voor de gouw Großberlin) afgedrukt. Tegen deze tijd hard Horst zich echter reeds meer en meer uit het partijwerk over de pro-burgerlijke koers van Hitler, aan de andere kant echter in zijn privé-sfeer (de relatie met ex-prostituee Erna Jaenicke) gelegen.


Wessel betrok met zijn jonge vrouw kwartier bij de weduwe Salm in de Große Frankfurter Straße 62. Na onenigheden riep de verhuurster de hulp in van strijdmakkers van haar overleden man, die activist was geweest bij de RFB. Onmiddellijk, het was 14 januari 1930, toog een overvalcommando onder leiding van de communistische pooier Albert (“Ali”) Höhler op weg. De geplande “proletarische aframmeling” voor Horst Wessel escaleerde, want Höhler kende Erna Jaenicke nog uit slechtere tijden. Ook voor zijn kameraden totaal onverwacht trok “Ali” Höhler plotseling een pistool en strekte Horst met een schot door de mond neer. Op 23 februari bezweek Horst Wessel na een wekenlange worsteling aan zijn zware verwondingen.


Gouwleider Dr. Goebbels, totaal geschokt en geplaagd door een slecht geweten, aangezien hij toch zeer wel en rebelse vertegenwoordiger van de linkervleugel was, greep de gelegenheid met beide handen aan en riep de voormalige leider van Sturm 5 uit tot Martelaar der Beweging, dit tegen het veto van de Reichsleitung in München in. Reeds op 26 januari verscheen de Angriff als Horst Wessel extra editie en op 1 maart volgde met groot vertoon de begrafenis op het Berlijnse Nikolaï Friedhof. Naast Dr. Goebbels spraken aan Wessel’s graf de OSAF (Oberste SA-Führer) Franz Pfeffer von Salomon, SA-Standartenführer Breuer en twee representanten van de NS-Studentenbond. Hitler bleef demonstratief van de begrafenis weg, hetgeen voor het overige een aanwijzing te meer vormde voor de slechte verstandhouding tussen “Munchen” en de gouwleiding van Großberlin. Partijleider Hitler gaf er de voorkeur aan om “ter ontspanning” in Berchtesgaden te blijven.



Gedurende de begrafenisplechtigheid leverden de communisten felle straatgevechten met de systeempolitie in de directe omgeving van het kerkhof en bekladden de muren ervan onder toespeling op Erna Jaenicke met hetzerige leuzen; Voor de pooier Horst Wessel een laatste maal Heil Hitler! Als antwoord op de ongeïnteresseerde houding van Hitler presenteerde Berlijn’s gouwleider zich op de massabijeenkomst in het Sportpalast (4 april) met citaten uit het Horst Wessel-lied als pur-sang revolutionair. Op 26 september 1930 werden de moordenaars van Horst Wessel tot langdurige gevangenisstraffen veroordeeld; de hoogste straf, zes jaar en een maand tuchthuis, was voor Höhler. De verbittering van de SA over het onwaardige gedrag van de Kommune verdween daardoor natuurlijk niet (de daders ontgingen hun verdiende loon niet, toen de S.A. in september 1933 hun gevangenis bestormde). Toen begin april 1931 de S.A. ten oosten van de Elbe onder het commando van Majoor Walter Stennes tegen de leiding in München in opstand kwam, verwierpen de rebellen onder expliciete verwijzing naar de gebeurtenissen van 1 maart 1930 elke samenwerking met de in principe ook voor revolutionair Nationaal-Socialisten toegankelijke Kamfbund gegen den Faschismus (KgF), een KPD-frontorganisatie. Dr. Goebbels nam in deze overigens een tamelijk ondoorzichtige positie in; op zijn minst zijdelings was hij betrokken bij de voorbereidingen van de revolte. Eén van de verklaarde doelstellingen van de rebellen was het namelijk om hém en niet de onsympathieke Otto Strasser als de leider van een onafhankelijke, sociaalrevolutionair ingestelde Noordduitse NSDAP te proclameren. Ook na het einde van de Stenne-revolte, die hem bijna zijn strafoverplaatsing naar Wenen had gekost, zette Dr. Goebbels zijn campagne rond zijn voormalige discussiepartner als Martelaar der Beweging voort. Op 15 augustus 1931 bijvoorbeeld leidde hij persoonlijk de inwijding van het vaandel van de nieuw opgestelde SA-standarte 5 “Horst Wessel”. In juli 1932 gevolgd door het boek; Horst Wessel – Leben und Sterben, uitgegeven door de NSDAP-Partijuitgeverij terwijl de in de herfst van dat jaar gepubliceerde roman van Hanns Heinz Ewers; Horst Wessel in slechts luttele weken een oplage van 30.000 exemplaren bereikte. Ook Otto Strasser deed pogingen om de martelaar Horst Wessel ten gunste van zijn beweging te lijven, o.a. verscheen op 30 oktober 1932 in het Schwarze Front, het Strasser-orgaan, uit dien hoofde een hoofdartikel ter herinnering aan de revolutionaire Nationaal-Socialist Horst Wessel.

dinsdag 14 februari 2017

Autonome en Antikapitalistische strijd in Europa: Voor de Sociale Revolutie!

Al vanaf haar eerste begin heeft de autonome beweging in Europa zich ontwikkeld als een uitingsvorm van niet-hiërarchisch gestructureerd militant activisme, dat geheel en al los staat van welke klassieke structuren (politieke organisaties, centralistische leiding) dan ook.

 Met de Autonomia Operaia (Arbeidersautonomie) in Italië als voorbeeld probeert de autonome beweging een nieuw soort van politieke engagement zijn intrede te doen vinden, een activisme dat uitgaat van de basis, vaak op individuele grondslag en ongebonden, waarin géén plaats is voor wat voor leiders, bazen, bonzen, voorzitters etc. dan ook en waarin elke groep en elke individuele activist zich aaneensluiten om gezamenlijk door iedereen onderschreven doelstellingen te realiseren.


Een soort van “militant voluntarisme”, dat nièt de op dat moment in de ‘mode’ zijnde politieke stroming dan wel het stereotype symbolische ‘nationalisme’/’international-isme’ achterna hobbelt, maar zich baseert op radicale waarden en eenduidige concepten die refereren naar een heterogene (veelzijdige) samenstelling. Een ‘militant voluntarisme’, dat nieuwe wegen opent en tevens een nieuwe stijl van verzet introduceert en daarmee tot referentiepunt wordt voor een ieder, die op zoek is naar een werkelijk alternatief voor het passief accepteren van het huidige systeem!


ACN/AKN marcheert in Frankrijk


Geconfronteerd met de huidige situatie in Europa van sluipende economische, sociale en politieke ineenstorting kwam het antikapitalisme al snel naar voren als speerpunt in onze strijd. Het is inmiddels tot het meest belangrijke strijdfront van alle autonome activisten in Europa geworden, gericht tegen elke vorm van uitbuiting, zakkenvullersmentaliteit, geweld, economisch imperialisme (van de kant van de grote multinationale concerns), globalisering alsmede tegen de anti-democratische oligarchie, tegen de heerschappij van de winst over de bescherming van ons milieu, tegen de misdadige dwang tot consumptie en tegen de vervreemding, veroorzaakt door een systeem, dat volledig is gebaseerd op eigenbelang en winstbejag.

De nieuwe permanente structuur van het globale kapitalisme (eigenlijk moeten we hier nièt van ‘crisis‘ spreken, aangezien het hier géén tijdelijke situatie betreft, maar integendeel de nieuwe structurele realiteit van de huidige maatschappij) heeft ertoe geleid dat de Europese economieën in een neerwaartse spiraal zijn beland, waarvan men de gevolgen in diverse landen, vooral in Zuid-Europa, al zwaar begint te voelen. Bedrijfssluitingen, massa-ontslagen en verplaatsing van de productie naar lage loongebieden buiten Europa vinden thans vrijwel dagelijks plaats. Een geheel continent verliest momenteel haar industriële basis en ondergaat bijna onopgemerkt de verwoestende gevolgen van turbo-kapitalisme en globalisering.



ACN/AKN in de straten van Parijs (Frankrijk)


In 2009 werd door activisten vanuit het Italiaanse autonome spectrum een begin gemaakt met het Stop Capitalismo-netwerk, een veelvoud aan projecten, activiteiten en propagandacampagnes gericht op het bevorderen van een soort van ‘sociale communicatie‘ en het aankweken van een antikapitalistisch bewustzijn, zowel in politiek als in cultureel opzicht, als absoluut noodzakelijke voorwaarde voor het lanceren van een permanente campagne tegen de kapitalistische globalisering. Antikapitalistische politiek is iets wat voortkomt uit het werkelijke leven en uit de werkelijke wereld, en is daarom dus een noodzaak en niet enkel een theorie! Wij zijn van mening dat, ook al denk je in grote dimensies, het desalniettemin toch de kleine dingen in het dagelijkse leven zijn, die het verschil uitmaken!

Vanaf het eerste begin richtte Stop Capitalismo daarom haar aandacht volledig op het precariaat (d.i. de loontrekkers die onder ‘precaire’ [= onzekere] arbeidsverhoudingen werkzaam zijn) en op de strijd tegen de misdadige flexibilisering van de arbeid. In dat kader organiseerde het verschillende straatacties (bezettingen, flash mobs), waarbij het doel ervan was om de mensen op de straat ervan te doordringen dat hetgeen waarmee men thans wordt geconfronteerd iets geheel nieuw en totaal anders is dan alles wat we in het verleden hebben meegemaakt.



2011: Oprichting ACN in Milaan (Italië)

Dit is géén tijdelijke (cyclische) crisis, zoals in het verleden, dit is de PERMANENTE (structurele) crisis, de crisis van het kapitalistische systeem ZELF, waarvan de schokken nog gedurende vele tientallen jaren voelbaar zullen zijn!

De eerste stap richting de SOCIALE REVOLUTIE dient het zich bewust worden van de eigen situatie te zijn. Kapitalisme betekent enkel en alleen een eindeloze cyclus van precariteit, Verelendung, verscherpte uitbuiting, crises en werkloosheid.

Zonder een bewustzijnsverandering en het besef dat kapitalisme niet alleen maar betekent ‘shoppen’, grote winkelcentra en stompzinnige consumptiedwang, maar dat kapitalisme staat voor een systeem, dat uitsluitend bestaat om winst te maken in het belang van de geprivilegeerden over de ruggen van de massa’s, dat kapitalisme staat voor de systematische uitbuiting van land en volk ten behoeve van het streven naar financieel gewin van een kleine geprivilegeerde groep en ten koste van het leven van de grote massa van het volk, zolang kunnen wij nog niet aan de Revolutie denken!


ACN/AKN marcheert in Duitsland

Al deze ervaringen deden ons de noodzaak inzien van een bundeling van de antikapitalistische strijd op Europees niveau.

Een gemeenschappelijke strategie en visie – dat is hetgeen de werkelijk antikapitalistische krachten in de verschillende Europese landen thans dringend nodig hebben!

Een en ander leidde ertoe dat rond de jaarwisseling 2011/2012 het Anticapitalist Network/Antikapitalistische Netwerk (ACN/AKN) werd gelanceerd, waarin zich inmiddels tal van autonome groepen uit – naast Italië – Griekenland, de Oekraïne, Roemenië, Frankrijk en Nederland aaneen hebben gesloten.

Dit is de juiste weg! Dit is de weg voorwaarts!

HET WERELDKAPITALISME IS DE DOODSVIJAND VAN HET EUROPESE PROLETARIAAT!

VOOR DE SOCIALE REVOLUTIE!

Daarom:
Blijf nièt passief aan de zijlijn staan –
Sluit je aan bij de antikapitalistische strijd!
Sluit je aan bij het Anticapitalist Network!

zaterdag 14 januari 2017

Georges Sorel: Een Revolutionaire Socialist


Georges Sorel (1847-1922) kunnen we als een van de grote socialistische leiders van eind 19de eeuw, begin 20ste eeuw beschouwen. Net als in de geest van Charles Péguy, was ook hij iemand die Marx en Proudhon wist te verzoenen. Hij had een hoge mystieke en morele visie op de revolutie, waardoor hij reformisten zoals Jaurès verachtte; Zij [de reformisten] zouden de puurheid van de socialistische ideeën verraden uit naam van een verzoening met de bourgeoisie en de parlementaire democratie.

Net als bij Proudhon was bij Sorel het doel van de strijd voor sociale rechtvaardigheid allereerst moraal: Mannen moesten hun karakter sterken door de praktijk van de strijd. Het was juist door de vrije acties van de Syndicaten [vakbonden] dat de arbeidersklasse de grootheid van diens cultuur kon behouden, vrij van elk puur politiek doel. Verder verdedigde Sorel de waarden van de producenten, hun werk, inzet, creativiteit en vormen van materiaal, tegenover de decadente waarden van de bezittende klasse, die enkel begaan waren met hun eigen genot en de uitbuiting van het werk van anderen.

Sorel wees allereerst en bovenal het nihilistische hedonisme van de burgerlijke wereld af, evenals de complete afwezigheid van een sterke overtuiging bij de bourgeoisie dat onvermijdelijk het logische gevolg was van kortzichtigheid, kleinzieligheid en een bekrompen wereldbeeld. Echter, paradoxaal genoeg was er in de ogen van deze denker bijna geen verschil tussen het moralisme van de bourgeoisie en dat van de socialistische leiders: Als hij de middelmatigheid van de hedendaagse wereld van het kapitaal hekelde, dat niet langer de grote 'captains of industry' uit het verleden kende, had hij geen woorden hardvochtig genoeg voor de existentiële ellende die gevonden kon worden in de reformistische compromissen, of zelfs in de regelmatige stakingen van arbeiders om een paar sociale voordelen te realiseren voor louter cliëntelistische doeleinden.

Sorel eiste dat zij in plaats van deze stakingen het idee van de algemene staking, dat geleend was van Fernand Pelloutier, gebruikten als de regenererende mythe voor de arbeiderswereld. De algemene staking, aldus Sorel, moest in een geest van buitensporigheid leidend zijn, met als doel het realiseren van een revolutie die de moeite waard was en waarin het grootste deel van de arbeidersklasse werd bevrijd. Het moest niet opnieuw een economische logica vestigen, maar een ethische hervorming van de samenleving bewerkstelligen. Bovendien is dit hoe het proletariaat daadwerkelijk kon leren om zichzelf te zijn en haar meest opmerkenswaardige potentiëlen kon vervullen.

Hoewel Sorel lang een voorstander van Syndicaten was, zou hij immens teleurgesteld zijn door de evolutie van de sociale strijd. Daarom onderging hij een ideologische zoektocht. Deze zoektocht zou hem langs de kampen van de royalisten, nationalisten, bolsjewisten leiden tot hij uiteindelijk terugkeerde, niet zonder enig scepticisme, naar zijn aanvankelijke politieke liefdes. Ondanks zijn zoektocht evolueerden de ideeën van Sorel gedurende zijn leven niet zoveel qua inhoud. Zijn persoonlijke reis leidde ertoe dat hij van veel verschillende groepen en bewegingen lid werd, maar ook dat hij elke keer weer teleurgesteld was om te zien dat ideeën zo onverzettelijk als die van hem, nauwelijks op een brede ondersteuning konden rekenen. Uiteindelijk zou hij vrij gedesillusioneerd sterven...  



Met dank aan Thibault Isabel – Rébellion – 16 November, 2016

woensdag 11 januari 2017

Stijgend aantal dodelijke ongevallen in de Havens


DE EUROPESE VAKBONDEN DIENEN NU EINDELIJK SERIEUS TE KNOKKEN VOOR MEER VEILIGHEID IN DE HAVENS!


7 juli jl. – Ook in Hamburg werd het werk neergelegd in het kader van de wereldwijde ‘Actiedag in de havens’, gericht tegen de onveilige werkomstandigheden in de havensector.


In de afgelopen jaren nam het aantal dodelijke arbeidsongevallen op de containerterminals toe. Volgens de Europese Transport Federatie (ETF) werden er officieel alleen al in 2015 dodelijke ongevallen geregistreerd in de havens van Antwerpen, Bilbao, Bremerhaven, Helsinki, Oxelösund (Zweden), Sines (Portugal) en Valencia. Bovendien komen daar nog de ongevallen bij, welke zwaar lichamelijk letsel en arbeidsongeschiktheid tot gevolg hadden. Om nog maar te zwijgen over de toenemende werkdruk die de arbeiders uitput en afmat. Met de bouw van steeds grotere containerschepen en een tegelijkertijd dalende wereldhandel, wat de oorzaak is voor een grootschalige overcapaciteit, hebben de reders zichzelf in een klassieke overproductiecrisis gemanoeuvreerd, die kenmerkend is voor het kapitalisme. De reders willen hun winsten redden door middel van massale ,,kostenbesparingen”, wat niet meer inhoudt dan de zeelui en de havenarbeiders hiervoor te laten bloeden.


De reders en terminalbedrijven nemen deze ongevallen op de koop toe in hun streven naar winstmaximalisering. Het is de uitdrukking van de meedogenloze realiteit van de verhoudingen tussen arbeid en kapitaal: Arbeiders, ook degenen die beter betaald worden, verkopen hun arbeidskracht om te overleven; kapitalisten, die de productiemiddelen bezitten, halen uit deze arbeid van de arbeiders hun winsten. Hoeveel winst de kapitalist uit de arbeider kan persen, is afhankelijk van de strijd tussen de arbeidersklasse en de kapitalisten. Naast een beperkte loonsverhoging, of zelfs loondaling, kunnen er ook verschillende langere en arbeidsintensievere werkdagen worden ingevoerd. De vakbonden zijn nog altijd de verdedigingsorganisaties van de arbeiders, die niet alleen voor hogere lonen en soortgelijke eisen dienen te strijden, maar ook voor betere arbeidsomstandigheden en tegen de toenemende flexibilisering. Zeker in de industrie en in de transportsector zal de strijd voor meer werkveiligheid een potentiële versterking voor de vakbonden kunnen betekenen.


De havens zijn strategische knooppunten in de internationale handel, in de economie en daarmee belangrijk voor de bourgeoisie van de industriële landen. De industrie van het sterk van export afhankelijke Duitse imperialisme is aangewezen op het functioneren van de havens, waarvan Rotterdam, Antwerpen en het binnenlandse Hamburg en Bremerhaven zeer belangrijk zijn. De Duitse bourgeoisie heeft de uitbuiting van de Duitse arbeidersklasse geïntensiveerd d.m.v. het scheppen van een omvangrijke lage lonensector en met deze winsten haar leidende rol als exportmacht opgebouwd. Duitsland domineert Europa, zuigt de arbeidersklasse van de zwakkere landen uit en onderdrukt deze landen met behulp van de imperialistische EU. Tegelijkertijd betekent dat ook dat de havenarbeiders internationaal een reusachtige potentiële macht in handen hebben. De positie van de havenarbeiders en zeelui in de economie en industrie zal tot het bewustzijn leiden dat d.m.v. arbeidersmacht het kapitalistische winstsysteem tot stilstand te brengen is. Wat een en ander echter in de weg staat is de nationalistische en protectionistische politiek van de vakbondsbureaucratie, die zich aan de kant van de kapitalisten schaart.


De over de gehele wereld plaatsvindende aanvallen van de kant van de reders en havenbedrijven, evenals de ongevallen onder de havenarbeiders, hebben de beide overkoepelende havenvakcentrales ITF/ETF en IDC (International Dockers Council*) ertoe gedwongen om op 7 juli jl. een gemeenschappelijke ,,Wereldwijde Actiedag” te organiseren, om zodoende hun ,,(onveilige) arbeidsomstandigheden kenbaar te maken en een duidelijk signaal af te geven in de richting van een gezonde en veilige werkplek” alsmede om een minuut stilte te houden voor alle havenarbeiders die tijdens hun werk zijn omgekomen. Terwijl het in enkele havens, zoals bijvoorbeeld in Le Havre, maar ook in belangrijke havens aan de Amerikaanse Oostkust, tot een één uur durende staking kwam, waren er in andere havens slechts enkele korte werkonderbrekingen. Deze actiedag was weliswaar totaal ineffectief, maar toonde wel het symbolische potentieel aan van de internationale solidariteit van de havenarbeiders. Meer effectieve internationale klassenstrijd is noodzakelijk om de dodelijke winsthonger in de havens en op de schepen een halt toe te roepen. De havenarbeiders in Le Havre en Marseille toonden hun kracht, toen zij, vanaf 24 mei, meer dan twee weken lang de olieterminals in Frankrijk platlegden. Op deze wijze betuigden zij hun solidariteit met de staking van de raffinaderijarbeiders en vele anderen tegen de wet-El Khomri (loi travail) - een staking die bijna geheel Frankrijk plat wist te leggen.


 ______________
* Hierin zijn voornamelijk de meer radicale Zuid-Europese bonden, o.m. uit Spanje en Frankrijk (CGT), georganiseerd.



Dodelijke ongevallen in de havens van Hamburg en Bremerhaven


Een blik op de situatie van de havenarbeiders leidt onvermijdelijk naar het dodelijke ongeval van de 37-jarige Bülent Benli. Op 10 okt. 2014 stapte hij aan de Burchardkai bij de Hamburger Hafen u. Logistik AG (HHLA) in een werkbak om via de kraan aan boord gezet te worden – daarbij verongelukte hij dodelijk. Collega Benli was een zogenaamde dagloner, dat houdt in dat hij zonder vast contract werkte. Hij was werkzaam voor Gesamthafenbetrieb (GHB), de arbeidspool voor de gehele Hamburgse haven. Zijn dood komt voor rekening van de HHLA-kapitalisten, die aan hun reusachtige winsten en vette veiligheid op het werk. De HHLA is voor bijna 70% in het bezit van de stad Hamburg. De Burchardkai is de grootste containerterminal in Hamburg en heeft een voorbeeldfunctie, één van de grootste parels in de traditie van de Hamburgse havenbaronnen, die, precies als 100 jaar geleden, nog steeds van het werk van de dagloners profiteren.


Zoals collega’s in de haven al rapporteerden, zijn er diverse veiligheidsvoorschriften, - procedures en –maatregelen die de dood van Benli hadden kunnen voorkomen, maar die op de Burchardkai niet gebruikelijk waren. Op deze kade dienen de sjorders nog steeds te “communiceren” d.m.v. handgebaren naar de kraanmachinisten, die minstens 40 meter hoog zitten. Het zou veiliger zijn als er via de portofoon contact is tussen de sjorders resp. de botenbaas en de kraandrijver met een extra persoon ertussenin die altijd in kan grijpen wanneer de sjorders aan het werk zijn. Ook wordt er op de kranen aan de Burchardkai géén snelheidslimiet gehanteerd bij het transporteren van personen. Op veiligheidsmaatregelen besparen de HHLA-kapitalisten openlijk, want dat zou alleen maar meer personeel en uitrusting betekenen, wat dan ook weer de winsten minimaliseert. Daarom spelen ze liever met de levens van de sjorders.


Sjorders laden en lossen de containers op een schip en bevestigen deze met behulp van stackers. In het Hamburgse toneelstuk ,,Tallymann un Schutenschubser” omschreef een voormalige zeeman en havenarbeider de sjorders als ,,het goud van de kust”. En Volker Ippig, vroeger keeper bij FC St. Pauli, tevens dagloner en sjorder in de haven, verwoordde het in een interview met de taz van 28 juni 2009 zo: ,,Wanneer de stackerdraaiers eenmaal in een rap tempo aan de gang zijn, dan moet alles ook in dat tempo doorgaan. Urenlang kan je dat niet volhouden, maar wel een hele tijd. Zwaar werk? Ja, zeker. Maar wel goed werk, eerlijk werk”. Sjorders hebben het zwaarste en meest gevaarlijke werk in de haven. De terminalbedrijven besparen op de sjorders door lage lonen uit te betalen, indien zij deze sjorders niet elders goedkoper kunnen inhuren. En zelfs wanneer bedrijven zoals GHB wel cao-gebonden lonen betalen, dan alsnog krijgen sjorders het laagste cao-loon en niet het hoogste, zoals bijv. kraanmachinisten dat doen. Bij de dood van collega Benli speelde nog als extra factor mee dat hij namelijk nog maar sinds enkele weken volledig als sjorder werd ingezet, dit zonder enige vorm van opleiding en/of ervaring. En dat terwijl de GHB op haar website luidkeels verkondigt: ,,Kenmerkend voor het succes van GHB is het hoge kwaliteitsniveau van haar werknemers. Daarom staan bij ons opleiding en verdere scholing hoog aangeschreven. Wij bieden een goede scholing voor al onze werkplekken”. Mooie woorden van deze kapitalisten, maar de vakbonden kunnen er maar beter voor zorgen dat de werkplek inderdaad veilig is en dat de arbeiders ook daadwerkelijk de benodigde opleiding en verdere scholing krijgen.


Een ander zwaar ongeval gebeurde op 14 mei 2015 bij de North Sea Terminal Bremerhaven (NTB), toen de arm van een containerkraan afbrak en op de 52-jarige kraanmachinist Volker Hermann terecht kwam, wat hem fataal werd. De oorzaak van het afbreken van de kraanarm was een onopgemerkte scheur. Regelmatige adequate inspectie had dit ongeval kunnen voorkomen. Zo dringt zich de vraag op waarom deze scheur niet eerder werd opgemerkt en of dat niet ook bij andere containerkranen het geval is. In een artikel in het Verdi-tijdschrift Verkehrsreport van feb. 2015 werd de angst voor toekomstige ongevallen, zoals dat van collega Volker, wel aangekaart, maar de perspectieven van een vakbondsstrijd ertegen bleven echter uit. In plaats daarvan werd slechts kritiekloos gemeld dat de Wasserschutzpolizei de ,,verantwoording voor het onderzoek” op zich heeft genomen. Maar de politie zal altijd in het belang van de kapitalisten ,,bemiddelen”. Politie en justitie zijn centrale onderdelen van de kapitalistische staat en beschermen het uitbuiterssysteem.


Georganiseerde acties door de vakbond hadden ervoor kunnen zorgen dat de toestand van soortgelijke containerkranen periodiek gecontroleerd werd. Maar klaarblijkelijk is de dood van een havenarbeider in Bremerhaven door toedoen van een kraanarm géén reden voor de andere terminalbedrijven om hun kranen te laten inspecteren. Toen de kraanmachinisten bij de diverse terminalbedrijven tegelijkertijd met alle reders hun onvrede hieromtrent hadden geuit, werd hen door het management de mond gesnoerd, terwijl de bonden hierover weer zwegen. Een jaar later, op 11 maart jl., kwam het bij de Containerterminal Altenwerder (CTA, de geautomatiseerde terminal in Hamburg die door HHLA en Hapag-Lloyd wordt beheerd) tot een soortgelijk ongeval zoals in Bremerhaven. Een onontdekte scheur leidde tot het loslaten van een voertuigwiel, wat gelukkig zonder drastische gevolgen bleef. Teneinde al deze zaken snel in de doofpot te kunnen stoppen hebben de kapitalisten de arbeiders voorgelogen. Om veilig gebruik te kunnen maken van de containerkranen zijn grondige en precieze inspecties van levensbelang. Verdi dient hiervoor te knokken en tevens veiligheidsmaatregelen op het werk aan de orde te stellen en het initiatief te nemen tot de noodzakelijke arbeidersstrijd.


Terwijl het afbreken van de kraanarm in Bremerhaven alleen maar zorgde voor dramatische verslaggeving in de diverse media, doen de havenkapitalisten er over het algemeen alles aan om te voorkomen dat arbeiders en publieke opinie weet krijgen van zware en dodelijke arbeidsongevallen. Toen op 31 dec. 2009 collega Uwe Kröger (45), kraanmachinist bij Eurogate Hamburg, tijdens het werk een dodelijke hartaanval kreeg, duurde het volgens Rolf Geffken (advocaat en auteur van boeken zoals Arbeit u. Arbeiterkampf im Hamburger Hafen) anderhalf uur tot medische hulp hem op zijn locatie kon bereiken. Feit is dat op een containerkraan een levenloos of zwaargewond persoon alleen maar onder aanzienlijke inspanning te bergen is. Een traumahelikopter dient dan personeel te laten abseilen, maar in de omgeving van de containerterminals in Hamburg is zulke medische hulp niet beschikbaar. Buiten de BHV-ers zijn er geen hulpverleners resp. soortgelijke instellingen op de terminals, en het dichtstbijzijnde ziekenhuis is ver weg. Toen de weduwe van collega Kröger opheldering verlangde over de dood van haar man, ook om eventuele misstanden te laten onderzoeken, werd zij door de ondernemers belachelijk gemaakt en beledigd. Later drukte het Hamburger Abendblatt een lang artikel af, die de werkplek bovenin de kraan als ‘theaterloge’ in de haven afschilderde, maar verder zweeg over de dood van de betreffende collega. Geffken zegt hierover in een interview met de Junge Welt van 11 okt. 2011: ,,In de Hamburgse media heerst er de samenzwering van het zwijgen wanneer er een ongeluk in de haven heeft plaatsgevonden”. Het past in het beeld dat stelt dat de Hamburgse kapitalisten de burgerlijke pers in handen hebben om ongelukken te verdoezelen en daarmee elke vorm van kritische berichtgeving ondermijnen.



Collega Bülent Benli - Vermoord door de Hamburgse havenkapitalisten! 


Voor een strijdbare vakbondsleiding die zich baseert op de klassenstrijd!


Ook zware en dodelijke ongevallen bij Van Carriers (VC), die containers op de terminals lossen en op vrachtwagens laden, zijn schering en inslag. Op 30 nov. 2015 kwam op de Eurogate-terminal in Bremerhaven collega Kai Weinhold (VC-chauffeur) om het leven, toen hij met zijn voertuig kantelde. Omslaan, botsingen en brand komen vaak voor. Werkdruk, slecht wegdek, slechte lichtverhoudingen, verouderde techniek (of onvolledige nieuwe techniek) en zware inbreuken op de veiligheidsvoorschriften (en inspectiebezoeken) kunnen bij ongevallen met zulke zware machines logischerwijze tot levensbedreigende verwondingen of zelfs tot de dood leiden. Havenwerk behoort tot het meest gevaarlijke werk in de industrie, maar met deze aanhoudende onacceptabele omstandigheden (werkdruk en slechte omstandigheden) zijn verdere ongelukken, verminkingen en doden onvermijdelijk – het is gewoonweg moord op de arbeiders! Met zijn vierentwintig-uurs economie is de havenkapitalist er alles aan gelegen zijn machinale uitrusting maximaal te benutten, tot slijtage toe, dan zorg te dragen voor de noodzakelijke veiligheids- en onderhoudsinspectie.


De schuld in de schoenen te schuiven van enkele collega’s en hen aansprakelijk te stellen voor de veiligheid op het werk is een standaardgegeven van de kapitalisten en het is daarom de taak van de vakbonden om zich zo collectief mogelijk op te stellen samen met de leden, waarbij de laatsten onder ongekende druk staan om ,,hun taken” zonder onderbrekingen ,,uit te voeren”. De arbeider bevindt zich daarbij in een vicieuze cirkel: 


Ofwel wordt men door het bedrijf disciplinair gestraft omdat men te veel werk maakt van de veiligheid, ofwel negeert men de veiligheidsinstructies, waarbij uiteindelijk met de gezondheid en het leven wordt gespeeld. Wanneer de arbeiders in dit conflict de overhand willen behalen, dan dient de collectieve kracht van de vakbonden te worden ingezet. Het is een beslissende strijd, een steeds weer terugkerende krachtsinspanning om betere arbeidsomstandigheden af te dwingen en te behouden, in het bijzonder in het kader van de steeds veranderende omstandigheden in de havens. De arbeiders dienen tezamen met de vakbonden de controle over de veiligheid op de werkvloer te hebben. Vakbonden en Betriebsräte (OR-leden) moeten duidelijk maken dat zij in de positie zijn om de havenbedrijven plat te leggen indien er sprake is van gevaren. Betere arbeidsomstandigheden vergen vastberaden oplettendheid en strijd tegen de kapitalisten. In plaats van vertrouwen in de kapitalisten:


Vakbondscontrole! Havenarbeiders hebben hun eigen door de vakbonden gecontroleerde comités voor werkveiligheid nodig, met vertegenwoordigers die het recht hebben onzekere werkomstandigheden ter plekke te beïnvloeden. Het vraagstuk van de werkveiligheid betreft tegelijkertijd het vraagstuk van de klassentegenstellingen tussen arbeiders en kapitalisten. Betere werkomstandigheden voor de havenarbeiders betekent minder winst voor de reders en de havenbedrijven. Een strijd voor beter materieel, beter werkverloop en dito onderwijs staat haaks op de belangen van de kapitalisten. Hierbij heeft de arbeider het bewustzijn nodig dat hij zal verkrijgen gedurende de onverzoenlijke klassenstrijd tegen de kapitalisten.


In de havens aan de Amerikaanse Westkust heeft de havenvakbond ILWU in 1934 met een klassenkämpferische stakingsleiding o.a. het recht afgedwongen tijdens conflicten over werkveiligheid, die onder de haven-CAO vallen, het werk neer te leggen totdat er een vakbondsvertegenwoordiger op de werkplek verschijnt om de zaak op te lossen. Maar evenals vandaag de dag blijven zulke verworvenheden altijd bedreigd door aanvallen van de kant van de kapitalisten, en evenals de ILWU heeft ook Verdi een lange geschiedenis van konkelen met de havenbaronnen en akkoord gaan met verslechteringen in de CAO. Noodzakelijk is een klassenkämpferische vakbondsleiding, maar de huidige leiding staat onder de politieke controle van de sociaaldemocratie. De SPD en ook de Linke zijn burgerlijke arbeiderspartijen, partijen met een arbeidersbasis, maar met een burgerlijk kapitalistisch programma. Ze verbreiden illusies onder de arbeiders m.b.t. de kapitalistische staatsinstellingen, ook als het de werkveiligheid betreft. Arbeiders hebben daarentegen een revolutionaire arbeiderspartij nodig, onafhankelijk van de kapitalisten. En ze hebben een vakbondsleiding nodig die begrijpt dat de belangen van de arbeiders en kapitalisten fundamenteel aan elkaar tegengesteld zijn. Maar zolang de maatschappij in de handen van de kapitalisten is en op winst gebaseerd, kunnen de arbeiders alleen maar tijdelijke overwinningen afdwingen. Indien de arbeiders echter de staatsmacht in eigen handen nemen en het systeem van meerwaarde afschaffen, dan eerst kan er daadwerkelijk werk worden gemaakt van echte veiligheid op het werk!



maandag 26 december 2016

Enkele begrippen nader verklaard: Proletariaat, Bourgeoisie en Petit-Bourgeoisie


De walserij, Adolf von Menzel (1815-1905). Menzel was een van de eerste schilders die de industriële revolutie als thema koos.



I De bourgeoisie of kapitalistische klasse


Men geeft de naam bourgeoisie (of kapitalistische klasse) aan de uitbuitersklasse van de kapitalistische productiewijze. Waar komt deze naam vandaan? Ze heet kapitalistisch omdat zij de baas over het kapitaal is. En wat is het kapitaal? Allereerst moet opgemerkt worden dat kapitaalniet hetzelfde is als geld. Een vrek die zijn geld in een oude sok bewaard en het ook alleen maar bewaart, is geen kapitalist. Alleen dat geld gebruikt om productiemiddelen en arbeidskracht te kopen, om zo meer geld te krijgen dan erin geïnvesteerd is, d.w.z. om meerwaarde [1] te verkrijgen heet kapitaal.


Daarom kan niet iedere machine beschouwd worden als kapitaal. De naaimachine van een huismoeder, die ze gebruikt om kleren voor haar gezin te maken, kan men geen kapitaal noemen. Ook kan men het geld dat besteed wordt om arbeidskracht te kopen om huishoudelijk werk te doen géén kapitaal noemen. In deze gevallen produceren noch de arbeidskracht, noch de machines winst (liever gezegd: meerwaarde); ze worden allebei gebruikt om bepaalde diensten te verrichten.


De kapitalist, die bijvoorbeeld een fabriek wil bouwen, heeft niet altijd genoeg geld om dat te doen. Wat doet hij dan? Hij vraagt het te leen bij een bank, bij welke andere kapitalisten geld bijeen hebben gebracht. Hiermee zet hij een fabriek op en begint hij te produceren. Maar verkoopt hij meteen de zo verkregen producten? Over het algemeen niet, al moet hij snel het geld terugkrijgen om door te kunnen gaan met produceren. Als hij zou proberen door de verkoop van zijn producten het uitgegeven geld terug te krijgen, zou hij de fabriek een tijdje stil moeten leggen en dat zou hem nadeel berokkenen. Wat doet hij dan? Hij verkoopt zijn producten aan andere kapitalisten, opdat dezen ze op hun beurt aan de consumenten verkopen.


Zo krijgen we drie soorten kapitalisten:


de kapitalisten die eigenaar zijn van het geld, ofwel de bankiers
de kapitalisten in de industrie, de eigenaren van de fabrieken
de kapitalisten in de handel: de eigenaren van de distributie-bedrijven


De meerwaarde, die het productieproces als zodanig oplevert, wordt tussen deze drie verdeeld. Om welke reden staat de industriële kapitalist een deel van de meerwaarde, die hij aan zijn arbeiders onttrekt, af aan zijn twee collega-kapitalisten? Omdat hij zo aardig is en zijn vriendjes wilt helpen? Nee!


Hij doet het alleen maar, omdat het systeem hem dwingt van zijn twee collega's gebruik te maken om meer te verdienen. Wat hij verliest door de meerwaarde te delen, krijgt hij met winst terug doordat hij sneller met het productieproces door kan gaan. De industriële kapitalist eigent zich de meerwaarde toe. Maar omdat hij de samenwerking van de financiële en commerciële kapitalist nodig heeft om dit te benutten, zegt Marx dat deze laatste twee de meerwaarde tot stand brengen, d.w.z. dat zij hem concreet mogelijk maken.


De industriële kapitalist wint er niets bij, het product waarin de niet-betaalde arbeid of meerwaarde geconcretiseerd is, zelf te houden, als hij het niet voor elkaar krijgt dit product te verkopen. Dit is namelijk nodig om het beginkapitaal terug te krijgen plus het toegevoegde geld, dat vervolgens kapitaal wordt.


Marx noemde deze interne verdeling binnen de kapitalistische klasse of bourgeoisie; een verdeling in klassenfracties:

de financiële bourgeoisie
de commerciële bourgeoisie, en
de industriële bourgeoisie


Tussen deze verschillende fracties kunnen tegenstellingen bestaan; maar die zijn steeds ondergeschikt aan de belangrijkste tegenstelling: die tussen de gehele kapitalistische klasse en het proletariaat.


Deze verdeling van de bourgeoisie in fracties bestaat vooral tijdens de vrije concurrentie periode van het kapitalisme. Later leidt namelijk de kapitalistische centralisatie tot de fusie van industrieel, commercieel en financieel-kapitalisme. Dit is het stadium van het monopolie-kapitalisme, waarin de drie soorten kapitaal zich weer in dezelfde handen concentreren. Dan komen er nieuwe tegenstellingen naar voren in de kapitalistische klasse: tussen de monopolistische bourgeoisie en de rest: de niet-monopolistische middelgrote en kleine bourgeoisie, die op verschillende manieren te lijden hebben van de monopolistische uitbuiting.


Tenslotte is het belangrijk erop te wijzen, dat de kapitalistische klasse gebruik maakt van de industriële, commerciële en financiële mechanismen om het hele kapitalistische productieproces te controleren en te leiden.


We noemen daarom de bourgeoisie of kapitalistische klasse de klasse, die het kapitalistische productiesysteem controleert en leidt. Met bijeengegaard (geaccumuleerd) geld koopt zij productiemiddelen en arbeidskracht ten einde meer geld te krijgen dan zij geïnvesteerd had om het proces op gang te krijgen; geld dat zij verkrijgt uit niet-betaalde arbeid van arbeiders in de industriële sector. [2] 


II Het begrip proletariaat of arbeidersklasse


Het proletariaat (of de arbeidersklasse) is de klasse, die uitgebuit wordt door de kapitalistische productiewijze. Kunnen wij al die mensen die geen productiemiddelen bezitten en hun arbeidskracht moeten verkopen voor loon om te leven, als het proletariaat omschrijven? M.a.w. is proletariaat hetzelfde als de klasse van mensen in loondienst?


Een zo brede definitie zou onder het begrip 'proletariaat' al die mensen verstaan die hun arbeidskracht verkopen; en ze zou geen onderscheid maken tussen het kopen van arbeidskracht om meerwaarde te verkrijgen en het kopen van arbeidskracht om bepaalde diensten te laten verrichten, hetzij privé (huishoudelijke hulp bijvoorbeeld), hetzij voor de gemeenschap (belastingsambtenaar bijvoorbeeld). Even zo goed als niet ieder mens die geld bezit kapitalist is, is niet iedereen die zijn arbeidskracht verkoopt een arbeider.


De arbeidersklasse wordt alleen gevormd door die mensen, die door hun arbeidskracht te verkopen, meerwaarde produceren of realiseren voor hen die arbeidskracht kopen; d.w.z. zij wordt gevormd door de arbeiders in de industrie, in de handel en bij de banken.


Zoals we al eerder hebben gezien, zijn de commerciële en de financiële kapitalisten even kapitalistisch als de industriële, hoewel alleen op het niveau van de industriële productie meerwaarde wordt verkregen. Zo zijn de arbeiders, die in de handel of bij de banken werken even zo goed arbeiders als zij die in de industrie werken. Dat de bourgeoisie de arbeiders die in de handel en bij banken werken employe's noemt, is niets anders dan de zoveelste manier om de arbeidersklasse te verdelen. Zo hebben we drie sectoren van de arbeidersklasse te onderscheiden, die corresponderen met de drie fracties van de bourgeoisie:


arbeiders in de industrie
arbeiders in de handel, en
arbeiders bij de banken


Door te stellen dat alleen mensen als arbeider beschouwd kunnen worden, die het aan de koper van hun arbeidskracht mogelijk maken meerwaarde te verkrijgen, beperken wij het begrip proletariaat of arbeidersklasse tot alleen die mensen die direct verbonden zijn met het productieproces en de distributie van goederen. We sluiten dus in dit begrip niet in die arbeiders, die hun arbeidskracht voor een loon aan de staat verkopen: ambtenaren (leraren, militairen, rechters e.d.), of aan organisaties of personen waarvoor zij bepaalde diensten verrichten (kappersbedienden, dienstmeisjes, tuinlieden etc.).


Nadat we dit eerste onderscheid hebben gemaakt, moeten we ons nog afvragen of we al die mensen, die hun arbeidskracht voor een loon binnen het productieproces en de goederendistributie verkopen, als arbeidersklasse of proletariaat kunnen beschouwen. Als we dit doen moeten we ook de fabrieksdirecteuren en hoge chefs in de fabrieken, de distributiebedrijven en de banken als 'arbeiders' beschouwen. Om dit te verduidelijken zullen we eerst moeten bekijken, welke rol deze mensen in de moderne bedrijven spelen.


In de moderne bedrijven, met hun ver doorgevoerde arbeidsspecialisatie, moet er een groep arbeiders zijn, die als belangrijkste functie heeft: Het coördineren van de verschillende gespecialiseerde soorten werk en het leiden van de gehele gang van zaken in het bedrijf. Dit coördinatie- en controlewerk betreft de verschillende secties of productie-eenheden van het bedrijf, tot op het hoogste niveau. Dit wordt beheerd door de directeur, de lagere niveaus door het middenkader. Deze arbeiders, die het werk op de verschillende niveaus controleren en coördineren, vervullen een technische functie. Deze is noodzakelijk voor de voortgang van het bedrijf, precies zoals de dirigent bij een orkest onmisbaar is om het spel van de verschillende musici te coördineren. Maar in het kapitalistische systeem hebben deze arbeiders niet alleen een technische functie, maar ook en vooraleen uitbuitingsfunctie, omdat zij de kapitalist vertegenwoordigen. In de kleine bedrijven zijn het de kapitalisten zelf die de productie leiden en coördineren; maar naarmate hun bedrijven groeien delegeren zij deze functies aan een speciaal soort arbeider.


Precies zoals bij het militaire leger, vereist het arbeidersleger geplaatst onder het bevel van de kapitalist een hele reeks generaals (directeuren en chefs) en officieren (inspecteurs, opzichters e.d.), die gedurende het arbeidsproces namens de kapitalist het bevel voeren. Deze 'arbeiders' zijn dus bemiddelaars tussen de arbeiders en de kapitalisten en vertegenwoordigen de belangen van het kapitaal tegenover de arbeiders. Terwijl zij een organisatorische functie in het productieproces vervullen, dienen zij als een verlengstuk van de kapitalistische uitbuiting. Dit is voor de arbeiders zo duidelijk, dat zij vaak een grotere haat koesteren tegen deze arbeiders, die de gehele dag op hun handen zitten te kijken, dan tegen de baas, die slechts sporadisch in de fabriek verschijnt.


Deze verandering van functie moet gepaard gaan met een mentaliteitsverandering van de chefs e.d. tegenover de arbeiders, die onder hun leiding staan. Er moet een geest van wederzijdse samenwerking in het bedrijf bestaan; een geest van hulp aan de arbeiders bij hun nieuwe verantwoordelijkheden; nieuwe methoden van leidinggeven, waardoor de creatieve participatie van alle arbeiders gestimuleerd wordt. Het is belangrijk om in te zien, dat administratieve en organisatorische functies noodzakelijk zijn en dat daarom chefs en bedrijfsleiders onmisbaar zijn in elk bedrijf. Ook is het niet makkelijk voor de arbeiders om deze functies, van de ene dag op de andere, zelf te vervullen, omdat ze een voorbereiding vereisen die over het algemeen jaren duurt.


Kortom: Niet alle arbeiders, die hun arbeidskracht verkopen tegen een loon, maken deel uit van het proletariaat of de arbeidersklasse. Sommigen niet, omdat zij hun arbeidskracht verkopen om diensten te verlenen op het niveau van de bovenbouw of van de onderbouw, en niet om meerwaarde te produceren of te realiseren; anderen niet, omdat ze hoewel ze ertoe bijdragen, dat er meerwaarde geproduceerd wordt
als belangrijkste functie het uitbuiten van de aan hen ondergeschikte arbeiders hebben, zodat deze zoveel mogelijk meerwaarde voor de kapitalist produceren. 


Wij noemen proletariaat of arbeidersklasse dan ook die klasse, die door het kapitalistische productiesysteem uitgebuit wordt en die gevormd wordt door arbeiders, die direct verbonden zijn met de goederenproductie en distributie, die hun arbeidskracht voor loon verkopen om meerwaarde te produceren of te realiseren door deel-arbeid te verrichten, en die onder bevel van hun superieuren staan, die het proces op verschillende niveaus controleren.


III Het begrip kleine bourgeoisie (kleine burgerij)


Tot nu toe hebben we de twee grote klassen van de kapitalistische maatschappij bestudeerd: Het proletariaat en de bourgeoisie, die voortkomen uit de kapitalistische productieverhoudingen. Toch bestaan er in elke maatschappij ook nog andere, historisch bepaalde, productieverhoudingen, voor een deel uit de tijd van voor het kapitalisme. Deze productieverhoudingen, zoals ze bestonden in de slaven- en de feodale maatschappij of in de primitieve gemeenschap, kunnen lange tijd naast de kapitalistische verhoudingen blijven voortbestaan.


Dit is het geval geweest met enkele inheemse gemeenschappen in bepaalde Latijns-Amerikaanse gebieden. En het was ook zo in de slavenmaatschappij in het Zuiden van de Verenigde Staten terwijl zich in het Noorden een kapitalistische industrie ontwikkelde. Naarmate echter de overheersende verhoudingen hechter worden, verdwijnen langzamerhand de ondergeschikte, voor-kapitalistische verhoudingen, om op hun beurt in kapitalistische te veranderen. Door het verdwijnen van deze verhoudingen ontstaat er een specifieke productieverhouding: Die van de kleine onafhankelijke producenten die hun producten op de kapitalistische markt verkopen. Door hen 'kleine onafhankelijke producenten' te noemen geven wij aan, dat het arbeiders zijn, die eigenaar zijn van hun productiemiddelen en die geen arbeid van anderen uitbuiten. Zij leven van hun eigen arbeid en die van hun familie en de opbrengst hiervan is over het algemeen net genoeg om in leven te blijven. Dit is het geval met de kleine boer, die een klein stukje grond bezit, dat door hemzelf en door zijn familie wordt bewerkt; en met de naaister, die thuis kleren maakt en de traditionele ambachtsman, die in zijn eigen werkplaats werkt. Maar deze kleine producenten moeten, om hun producten op de markt te verkopen, concurreren met de grote kapitalisten, die veel goedkoper kunnen produceren. De wetten van de kapitalistische concurrentie doen hen verdwijnen en voeren het grootste deel van hen tot het proletariaat (proletarisering). Slechts enkelen van hen slagen erin, dankzij heel speciale omstandigheden om, kapitalist te worden.


Uit het bovenstaande blijkt, dat deze groep als een sociale klasse mag worden beschouwd, die verschilt van het proletariaat en de bourgeoisie in de kapitalistische maatschappij. Deze klasse noemen we: kleine bourgeoisie (of ook wel kleine burgerij). We onderscheiden een kleine bourgeoisie die zich richt op de productie: Ambachtslieden, kleine boeren; en een kleine bourgeoisie die zich richt op de handel: Kleine rondtrekkende handelaren, winkeliers, kioskhouders etc.


De kleine bourgeoisie echter is een overgangsklasse, omdat zij gevormd wordt uit kleine onafhankelijke producenten en handelaren die gebonden zijn aan de kapitalistische markt; het is een klasse die gaat verdwijnen omdat ze uiteenvalt in proletariaat en bourgeoisie. Daarom is het een klasse die tegenstrijdige belangen heeft; aan de ene kant wil ze graag rijker worden en kapitaal verwerven, omdat dit het haar mogelijk zou maken om tot de bourgeoisie of kapitalistische klasse te gaan behoren. Maar aan de andere kant ziet ze zichzelf steeds meer onderdrukt en opgeslokt worden door de kapitalistische klasse, die haar dwingt tot het proletariaat te gaan behoren, met het gevolg dat ze zich met de belangen daarvan gaat vereenzelvigen.

Zo blijkt de kleine bourgeoisie met haar tweeslachtige belangen een soort tussenklasse tussen proletariaat en kapitalisten te zijn.


We noemen kleine bourgeoisie die sociale klasse, die gevormd wordt door kleine onafhankelijke producenten, die hun producten op de markt verkopen.


De kleine burgerij vormt op grond van haar klassenpositie (tussenpositie, innerlijke tegenstrijdigheid) dan ook de sociale basis van het fascisme.



Extra Notities:
[1] Omtrent de kapitalistische klasse: De kunstenaar (schilder, tekenaar, schrijver) zet zijn krachten ook in voor diegenen die geld hebben, een kunstenaar moet leven. Men vindt niet toevallig zeer moeilijk schilderijen en prenten over de situatie van de arbeiders in de vorige eeuw. Daar hebben die kunstenaars geen tijd voor ( 'n paar uitgezonderd Zie de binnenzijde van deze brochure). Let maar eens op wie er allemaal op die oude schilderijen staan: Rijke burgers, adel... Wie spelen de hoofdrol in de boeken en toneelstukken? De wetenschappers gaan hun kennis inzetten voor degenen die geld hebben. De wetenschapper zegt dat hij objectiefis, bemoeit zich niet met politiek en dergelijke. Hij vraagt zich niet af waar zijn uitvindingen voor gebruikt zullen worden en wie zijn kennis benut. Tot de dag van vandaag, is het belangrijk wie in de kapitalistische landen profiteert van die kennis: De rijken, want die kopen kennis en worden daardoor rijker. Maar ook dat verandert. Want in zijn strijd ontwikkelt de arbeidersklasse zijn eigen kennis. (Bron: Brochure voor volksontwikkeling)

[2] Meerwaarde = een deel van de totale waarde die door de arbeiders geschapen wordt en die de eigenaars van de productiemiddelen zich toeëigenen. De kapitalist koopt de arbeidskracht van de arbeiders. Door hun arbeid voegen de werknemers aan de oorspronkelijke waarde van de grondstoffen een nieuw geschapen waarde toe. Een deel hiervan verhoogt de productiekosten, nl., de tegenwaarde der lonen (= veranderlijk kapitaal of vk); een ander deel vertegenwoordigt de meerwaarde, nl. de tegenwaarde van het meerwerk (= mw). Indien wij dit vanuit het standpunt van de arbeidsduur en -kracht bekijken, zien wij dat de totale arbeidsdag bestaat uit een sociaal noodzakelijke arbeidsduur (a) en een toegevoegde arbeidsduur (b). Tijdens (a) werkt de arbeider voor de reproductie van het verbruikte kapitaal (ck + vk). Tijdens (b) schept hij een waarde die niet aan hem vergoed wordt, maar die door de patroon toch op de markt gebracht wordt. De waarde van dit meerwerk of meerproduct is de meerwaarde.